In de polder waait het altijd; de kunst van het waaieren.

 

De IJSVU (een van de voorlopers van SKITS, kun je nagaan hoe oud dit stuk al is -kdv-) gaat al jaren op zeilweekend. Terecht. Elke zich zelf respecterende wielervereniging zou dat moeten doen. Zeilen is de manier om je waaierwindintelligentiequotiënt te vergroten. En deze niet zeilende fietstrainer heeft de rare gewoonte om voortdurend het hemelruim af te speuren om de kunst van windekinderen, in formatie vliegende vogels en voorbijdrijvende wolken, af te kijken.

 

Beeld en woord kunnen elkaar ondersteunen. Ik nodig elke liefhebber uit om bruikbare filmpjes hier aan toe te voegen. Uiteindelijk is er maar één plek waar je het kunt leren en dat is buiten, op de fiets, in de wind.

 

Op een fiets ervaar je wind. Het waait altijd. Als er geen wind staat maak je zelf wind omdat je beweegt. Alleen als je in dezelfde richting en met dezelfde snelheid beweegt als de door de wind voortgedreven luchtmassa waarin je je bevindt ervaar je -al fietsend- windloosheid. Zo gauw je een bocht omslaat steekt de wind weer op.

Een wielrenner gebruikt wind. Dat onderscheidt hem van een fietser. Een fietser rijdt alleen of mét anderen. Een wielrenner rijdt tégen of vóór anderen. Dat maakt hem tot een sociaal beest, een kuddedier, een pelotonpanter. Hij voelt, ruikt, hoort en ziet wat er om hem heen gebeurt; hij heeft ogen in zijn achterhelm. Om zijn doelen te bereiken gebruikt hij alles (nou ja, bijna) en dus ook de wind.

 

In de trainingen rijd je voor je zelf en/of voor een ander, een enkele keer tegen een ander. Een voorbeeld van tegen elkaar rijden is de anderen op het kantje zetten: er waait bijvoorbeeld een stevige wind van linksvoor, jij gaat uiterst rechts van de weg rijden zodat degene achter jou niet rechts achter jou in de luwte kan kruipen. Tenzij hij door de berm gaat rijden, maar dat is meestal geen goed plan. Je doet een trap extra (je voelt je sterk!) en hoppa…. weer een concurrent minder. Dit is strategie: een wielrenner gebruikt de wind om zich van anderen te ontdoen. Een fietser doet het per ongeluk. Daaraan herken je de fietser in een groep wielrenners.

 

In het vervolg gaat het over wielrenners die groepsgewijs zo slim mogelijk met een van de grootste obstakels, luchtweerstand, proberen om te gaan. Wielrenners die vóór elkaar fietsen, letterlijk en figuurlijk.

Maar hoe doe je dat? Je hebt te maken met een heleboel variabelen: windkracht en -richting, het soort weg (breed of smal, recht of bochtig, vol met auto’s, andere weggebruikers of obstakels), de omvang van de groep, kwaliteitsverschillen binnen de groep (wie heeft ‘goeie benen’en wie niet), samenwerkingsbereidheid en -last but not least- communicatieve vaardigheden van de groepsleden. Juist van de zwaksten, die op tijd moeten melden dat ze geen goeie benen meer hebben, beurten moeten overslaan of zelfs de sterksten tot lagere snelheden moeten bewegen, wordt een grote mate van assertiviteit geëist. Dit is -vooral van beginnende wielrenners- vaak te veel gevraagd. Hier komt de noodzaak van een goede wegkapitein naar voren: weten dan een ander het moeilijk heeft en die in bescherming nemen is misschien wel zijn belangrijkste taak.

 

Even wat basics. Uit welke hoek waait de wind? Op een lange rechte weg hoef je dat maar één keer te bepalen. Maar wat als het parcours erg bochtig is? De voorste rijder moet bij elke bocht opnieuw bepalen waar hij na de bocht moet rijden om de ploeggenoten zo veel mogelijk windvoordeel te geven. Een nuttige vuistregel is: je stuur met de bocht mee, maar minder scherp dan de bocht in de weg zelf. Stel: de wind komt van rechtsvoor, de voorste rijder rijdt dan uiteraard helemaal rechts van de weg. Er komt een haakse scherpe bocht naar rechts. Wat doet de voorste rijder? Die maakt ook een bocht naar rechts, maar minder scherp: hij laat zich als het ware een beetje de bocht uitzeilen zodat hij na de bocht zo veel mogelijk links op de weg rijdt. Na de haakse bocht komt de wind immers niet meer van rechtsvoor maar van linksvoor. In zeiltermen: je gaat door de wind, de voorste fietser (de boeg) zoekt de wind op.

 

De enkele waaier: een aantal wielrenners rijdt schuin achter elkaar. Hoe meer de wind van voren komt hoe rechter ze achter elkaar rijden; hoe meer de wind van opzij komt hoe meer ze naast elkaar kruipen. De voorste fungeert als windbreker voor de anderen. Dat maakt het rijden op de kop van een enkele waaier zwaar, zeker als je er een flinke snok aan geeft, Zodra je vindt dat je op kop genoeg gedaan hebt geef je het bekende sein met je elleboog, je geeft af, houdt in zodat de rest je kan passeren zonder dat ze hoeven te versnellen.

Zeker als de groep wat groter is moet je op kop bij zijwind (en dat is meestal het geval) op het uiterste randje van de weg (of weghelft als je te maken hebt met tegenliggers) gaan rijden zodat er voor de achterste van de groep ook nog ruimte is om schuin naast zijn voorganger te rijden en hij niet op het kantje gezet wordt. Als de wind recht van voren komt rij je wat verder uit de kant, de voorste zal, als hij zich laat zakken, ruimte moeten maken door iets opzij te sturen (op de openbare weg uiteraard naar rechts) zodat de volgende in een rechte lijn naar de koppositie fietst. Als de wind van opzij komt zakt de voorste in een vrijwel rechte lijn (misschien een beetje uitwijkend om de ander en makkelijk langs te laten) naar achteren, degene die overneemt stuurt geleidelijk naar de wind toe en neemt zijn positie over. Als -nieuwe- koprijder zoekt hij de wind op. Bij het verder naar achteren afzakken zorg je ervoor dat je dicht tegen de waaier aankruipt. Daarmee geef je extra windvoordeel aan de overige leden van de groep en zorg je ervoor dat het gat dat je moet overbruggen bij het weer aanpikken in het achterste wiel niet te groot wordt. Dat aanpikken is een kritiek moment: je komt -moe- van kop, zakt met teruglopende snelheid naar achteren en moet op tijd weer gas geven om het achterste wiel te pakken. In een goed op elkaar ingespeelde ploeg is dat geen probleem. Op kop zal op dat moment zeker niet versneld worden. Vaak wordt afgesproken dat de koprijder het tempo zelfs een fractie laat zakken totdat hij van achteren een seintje heeft gekregen. Dit gaat een heel klein beetje ten koste van de snelheid van de ploeg, maar er wordt veel (kostbare) energie gespaard. 

 

Een enkele waaier is aan te bevelen als de groep erg heterogeen is. De sterkste doet dan het leeuwendeel van het kopwerk. Niet door harder te rijden, maar door langer op kop te blijven. De zwakste blijft in het laatste wiel (of wordt -in voorlaatste positie- geduwd, ook dat komt in de beste wielerkringen voor!). Ook als er veel onrust veroorzakende ruisfactoren zijn, bijvoorbeeld bij de combinatie van een harde tegenwind met een bochtige weg (zodat de groep steeds door de wind moet) met veel ander verkeer en allerlei dubieuze  veiligheidsbevorderende obstakels (denk aan de Amsteldijk tussen Uithoorn en Ouderkerk), heeft een enkele waaier mijn voorkeur.

 

De dubbele waaier: twee rijen naast elkaar waarvan de ene rij fungeert als windbreker voor de andere. Hoe korter de overnames (de tijd dat je op kop rijdt) hoe meer het rijden het karakter krijgt van kop over kop: zodra je op kop komt word je alweer voorbij gereden door degene achter je. Dit gebeurt vanzelf als je er voor kiest om niet hard door te trappen als je op kop in de wind komt: er ontstaan dan twee rijen: aan de windkant een rij wielrenners die zich laten terugzakken (deze rij fungeert dan in z’n totaliteit als windbreker voor de andere rij) en in hun luwte een rij die (door het rijden in die luwte relatief makkelijk) naar voren schuift. Zo kom de voorste van die rij min of meer ‘vanzelf’ op kop. Zodra die voorbij de voorste van de ‘windbrekersrij’ is steekt hij over naar de windkant en laat de snelheid (zie boven) een beetje teruglopen. Aan de achterkant van de groep gebeurt het tegenovergestelde.

Op een brede weg zonder overig verkeer kan dan de ideale dubbele waaier ontstaan, waarbij de voorste rijders van beide rijen het meest de wind opzoeken en alle overige rijders daar schuin achter en dus min of meer beschut rijden. In de praktijk van smalle wegen met veel overig verkeer kan dat niet: er rijden dan twee rijen paralel aan de wegrichting, de ene uiterst rechts, de andere links ervan. Komt de wind van links dan is de rechter rij de snelste, inhalende rij (dus tegen de verkeersregels in!); komt de wind van rechts dan haalt links rechts in. Het lastigste moment zit bij een dubbele waaier bij degene die van kop komend -met teruglopende snelheid- wordt ingehaald door zijn opvolger die met relatief hoge snelheid de kop overneemt. Het is dan zaak om goed in het wiel van die persoon (bij wie de snelheid even later overigens ook terug zal lopen) te kruipen. Als dat niet goed gebeurt valt er een gat in het ‘windscherm’ wat nadelig is voor de inhalende rij.

 

Een goed lopende dubbele waaier is een genot voor het oog maar vooral ook voor de benen! Het houdt de zaak levendig: je bent voortdurend bezig met inhalen en ingehaald te worden. Het is een carrousel van alsmaar om elkaar heen draaiende wielrenners. Maar die wielrenners moeten dan wel van ongeveer hetzelfde niveau zijn, want van iedereen wordt ongeveer hetzelfde vereist. De extra kwaliteiten van iemand die sterker is dan de rest kunnen niet optimaal benut worden (zo iemand moet ook gewoon meedraaien in de carrousel en de benen stilhouden -figuurlijk wel te verstaan-  zodra hij op kop komt), iemand die zwakker is dan de rest van de groep kan niet meedraaien en daarom moet die:

 

Rondjes overslaan. In de kroeg en in het peloton heel verstandig. Maar het moet wel echt nodig zijn. Als collega’s gaan denken dat je bezig bent hun bordje leeg te eten voordat je aan dat van jezelf begint dan maak je geen vrienden.

Als je merkt dat je moeite krijgt om mee te draaien besluit je in het laatste wiel te blijven hangen. Wil je daar optimaal profijt van hebben dan moet je jezelf goed positioneren zodat er geen (centi)meter teveel ruimte kan ontstaan tussen jouw voorwiel en de achterwielen van de voor jou invoegende ploeggenoten, die jij tijdig en luid het sein TUSSEN geeft. In een dubbele waaier, waar onophoudelijk posities gewisseld worden, kan je dan wel blijven roepen. En je hebt al zo weinig lucht. Het is dan veel slimmer om één keer te roepen dat je niet (meer) meedraait. Door tijdig, dus voordat je je benen totaal verrot getrapt hebt, een paar beurten over te slaan kun je later (als je je zoveelste reservelade energie hebt weten open te trekken) misschien weer wel meedraaien en alsnog waardevol zijn voor de ploeg.

 

Ervaren wielrenners kunnen heel organisch schakelen tussen de verschillende waaiervormen, afhankelijk van de omstandigheden, de onderlinge krachtsverhoudingen, etc. Toverwoorden hierbij (en bij het wielrennen in het algemeen!!) zijn: oog hebben voor de situatie en communicatie. Zo kunnen allerlei tussenvormen van bovengenoemde waaiers ontstaan. Hoe? Dat leert de praktijk.

 

Kees 


Skits fotomoment

url: http://www.skits.nl/